Van der WieL Advocaten

Wie moet bewijzen of een overeenkomst is nagekomen?

15 oktober 2018

Als je geld geeft aan een vriend voor een bepaald doel maar het wordt daar niet voor gebruikt, wie moet dan bewijzen of die afspraak is nagekomen?

Een man en een vrouw zijn jarenlang bevriend geweest. Op enig moment heeft de man de vrouw verteld over een vriend die een erfenis had verkregen, te weten een huis met grond in het buitenland. De man vertelde de vrouw dat hij de vriend financieel ondersteunde om de erfenis veilig te stellen en het huis en de grond te verkopen. Daarna zou het geld terugkomen. De vrouw is de man gaan helpen en heeft hem geld gegeven dat de man zou doorgeleiden naar de vriend. Na enige tijd verwachtte de vrouw het geld terug, maar dat gebeurde niet. De vrouw stapte naar de rechter.

De rechter overwoog dat de afspraak was dat de man het geld zou doorgeleiden naar de vriend. Nu de man niet had aangetoond dat hij dat geld aan de vriend had gegeven, diende hij het geld terug te geven aan de vrouw. De man was het er niet mee eens en ging in hoger beroep.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd overwegende kortweg: wie stelt die bewijst. De vrouw moest aantonen dat de man het geld niet had doorgeleid naar de vriend,maar zelf had behouden. Dat kon de vrouw niet bewijzen, dus werd haar vordering alsnog afgewezen. De vrouw stapte naar de Hoge Raad.

De Hoge Raad overwoog dat een opdrachtnemer die van een opdrachtgever ter doorbetaling aan een derde ontvangen geldbedragen voor zichzelf behoudt, tekortschiet in de uitvoering van de opdracht. Op grond van artikel 7:403 lid 2 BW dient een opdrachtnemer verantwoording af te leggen aan zijn opdrachtgever over de wijze waarop hij zich van zijn opdracht heeft gekweten. Dat betekent in dit geval dat indien de vrouw aan de man geld geeft met een bepaald doel en de man zich jegens de vrouw erop beroept dat hij dat geld heeft doorgeleid conform dat doel, de man dat dient te bewijzen. De man moest dus bewijzen dat hij het geld aan zijn vriend had gegeven.

Hoge Raad, 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1776)